Of natuurlijke afbraak als saneringsvariant haalbaar is hangt af van een aantal aspecten waaronder verschillende onderzoekstechnieken en monitoringen. Voor het beschikken en handhaven van natuurlijke afbraak is het belangrijk deze gegevens op hoofdlijnen te beoordelen. Bij deze beoordeling dient minimaal aandacht besteed te worden aan de volgende punten.
De gebruikte lijnen van bewijs
Voldoen de condities aan de randvoorwaarden voor afbraak van de aanwezige verontreiniging en is het daadwerkelijk optreden van afbraak aangetoond? Basisregels kunnen hierbij behulpzaam zijn, zoals het feit dat natuurlijke afbraak van minerale olieverontreinigingen als diesel in Nederland niet significant is (vanwege de overwegend anaërobe condities in het Nederlandse grondwater) en dat de condities voor natuurlijke afbraak van VOCl in klei/veen overwegend gunstig zijn en voor BTEX minder gunstig. In zandig ontwikkelde bodemtypes is dit juist andersom.
Zie verder vaststellen van het natuurlijk afbraakpotentieel
Het opstellen van een pluimprognose
Is de aanwezigheid van eventuele kwetsbare objecten stroomafwaarts van de verontreiniging in kaart gebracht? Is een pluimprognose opgesteld en zijn de aannames die daarvoor gebruikt zijn, bijvoorbeeld voor een modellering, reëel? Hierbij kan gedacht worden aan afbraaksnelheden, grondwaterstromingssnelheden en organische stofpercentages. Gegevens gebaseerd op veldmetingen zijn over het algemeen betrouwbaarder dan aannames op basis van bijvoorbeeld de bodemsamenstelling. Voldoet de pluimprognose aan de eisen of randvoorwaarden die gesteld zijn, zoals bijvoorbeeld stabiliteit binnen 30 jaar of het voorkomen van terreingrensoverschrijdende verontreinigingen?
Monitoringsplan en terugvalscenario
Voor handhaving is met name het bijbehorende monitoringsplan en terugvalscenario van belang. Het monitoringsplan dient aan te sluiten bij de opgestelde pluimprognose. Zo dienen in geval van een ‘loslatende pluim’ ook monitoringspeilbuizen in de bronzone in het monitoringsplan opgenomen te worden zodat geverifieerd kan worden dat er geen nalevering optreedt en de pluim inderdaad ‘loslaat’.
Met een goed monitoringsplan worden gegevens verkregen van de relevante parameters over tijd en ruimte en worden eventuele voorzienbare en onvoorzienbare ontwikkelingen die invloed hebben op het optreden van natuurlijke afbraak (zoals een verandering van de samenstelling van het instromende grondwater en/of stromingrichting en -snelheid van het grondwater) tijdig gesignaleerd.
Het monitoringsplan dient de volgende doelstellingen te hebben:
-
Verifiëren dat de saneringsdoelstellingen bereikt worden.
-
Controleren of de pluim zich al dan niet uitbreidt.
-
Nagaan dat er geen kwetsbare objecten worden bedreigd.
-
Aantonen dat natuurlijke afbraak verloopt zoals voorspeld, zonder ophoping van schadelijke tussenproducten.
-
Signaleren van veranderingen in omstandigheden die het optreden of de snelheid van natuurlijke afbraak beïnvloeden.
Op basis van de bovenstaande doelstellingen kan onderscheid worden gemaakt tussen procesmonitoring en compliance monitoring. De procesmonitoring wordt uitgevoerd om de betrouwbaarheid van het conceptuele model, de gestelde hypothesen/aannamen en daarmee de modelvoorspelling te toetsen. Compliance monitoring wordt uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling van de verontreiniging aan de gestelde eisen voldoet en om tijdig te signaleren of het terugvalscenario moet worden geïmplementeerd.
Voor het monitoringsplan moet een monstername- en analyse-programma worden opgesteld waarin minimaal de volgende zaken zijn vastgelegd:
-
De locatie van de peilbuizen.
-
De frequentie van monstername en duur van het monitoringsprogramma.
-
-
De interpretatie van de monitoringsresultaten.
-
Een terugvalscenario als de daadwerkelijke pluimontwikkeling niet aan de gestelde eisen voldoet.
-
IJkmomenten waarop wordt besloten tot eventuele aanpassingen (intensivering of extensivering van de monitoring) of het in werking stellen van het terugvalscenario.
De wijze van interpretatie van de resultaten is een belangrijk onderdeel van het monitoringsplan. Het plan dient duidelijk te beschrijven hoe de monitoringsgegevens worden geïnterpreteerd en wat de bijbehorende consequenties zijn. Daarin moet de ruimte beschreven zijn waarin rekening gehouden wordt met variatie die binnen de waarnemingen kan optreden. Eisen aan concentraties in peilbuizen lijken zinvol en zijn gemakkelijk te handhaven, maar een overschrijding van bijvoorbeeld de tussenwaarde in een stroomafwaartse peilbuis hoeft geen bezwaar te zijn, mits de condities voor afbraak ter plaatse gunstig zijn en er nog voldoende ruimte is tot een eventueel bedreigd object. Concentratiemetingen van verontreinigingen dienen dus bij voorkeur in samenhang met overige parameters beoordeeld te worden.
Voor een interview met een handhaver over natuurlijke afbraak zie intervieuw met handhaver
Aanvullende informatie