Bij CO2 besparing van diepe geothermie kan gekeken worden naar de systeemgrenzen van alleen de bron met warmtewisselaar of naar het geheel van bron, back-up en piekvoorzieningen en distributie naar de afnemer. Voor een tuinbouwkas zal het verschil soms gering zijn, maar voor stadsverwarming wordt de berekening complexer.
De bron
Drie factoren zijn bepalend voor de CO2 uitstoot: capaciteit, aantal vollast-uren en de COP (Coefficient Of Performance) van de bron. De capaciteit van een bron zal meestal tussen de 4MWth en 15 MWth liggen. Maar uitzonderingen zijn mogelijk. Zo wordt de bron bij Vierpolders (Brielle) geschat op meer dan 20 MWth.
Het aantal vollast-uren heeft alles met de warmtevraag te maken. Waar mogelijk wordt de capaciteit van de bron afgestemd op de warmtevraag, dat wil zeggen, dat deze gedurende een groot aantal uren per jaar een hoeveelheid energie levert, die dicht bij de maximale capaciteit ligt.
De enige CO2-emissie is het gevolg van het elektriciteitsgebruik van de pomp. De verhouding tussen de geleverde warmte en de benodigde elektriciteit – de COP – zal bij vollast meestal tussen de 20 en de 30 liggen (3 tot 5%). Vergeleken bij een gasgestookte ketel zal de CO2-besparing daarmee tussen de 90% en 95% liggen.
Bij de aanleg van een geothermische nieuwe stadsverwarming ligt het complexer. Dan moet rekening gehouden worden met zo’n 20% warmteverliezen in het distributienet, een COP van geothermie = 30, een COP van warmtedistributie = 50, dekking van de warmtevraag door geothermie = 80%, dekking door piekketel = 20%. Bij deze uitgangspunten kan door inzet van aardwarmte een realistische besparing op primaire energie (aardgas) worden gerealiseerd van tussen de 70 en 80%.
De verwachtingen zijn, dat een geobron gemiddeld zo’n 100.000 GigaJoule per jaar zal leveren. En dit is in aardgas circa 3,2 mln m3. De besparing op CO2-emissies per geobron komen daarmee op gemiddeld 5.000 ton per jaar. Bij levering aan een bestaande stadsverwarming (meestal met een grote warmtevraag t.o.v. de capaciteit van de bron) zal het aantal draaiuren en dus de besparing hoger zijn.
Distributieverliezen worden vaak onderschat. In een stadsverwarming gaat het om een percentages tot 20%. Maar ook in een woning met een eigen ketel is er sprake van 10 tot 15% verlies, vooral bij de tapwaterbereiding.
