Wettelijk kader en toepassing in de praktijk van sanering en beheer van de bodem
Voor de beoordeling van de risico’s voor het bodemecosysteem zijn ecologische risico’s maatgevend. In eerste stap wordt hieraan getoetst met behulp van het computerprogramma Sanscrit (Wet bodem-bescherming) of met de Risicotoolbox bodem (hergebruik grond of bagger in het kader van het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit). Hierbij wordt meegewogen in hoeverre de ecologische bodemfuncties van belang zijn bij het bestaande of toekomstige bodemgebruik. In een natuurgebied is de ecologische functie maatgevend voor het bodemgebruik, op een industrieterrein waarschijnlijk niet of in zeer beperkte mate.
Toetsen aan ecologische normen in het kader van de Wet bodembescherming
Ecologische risicobeoordeling vindt conform de Circulaire bodemsanering 2009 plaats in drie navolgende stappen.
-
Stap 1: Vaststellen of er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging (vergelijken met geldende bodemnormen).
-
Stap 2: Vaststellen of sprake is van spoedeisendheid met behulp van generieke modelberekeningen.
-
Stap 3: Vaststellen van locatiespecifieke ecologische risico’s.
Op basis van de resultaten van een nader bodemonderzoek (voor diffuse bodemverontreiniging volstaat eventueel een verkennend bodemonderzoek), waarin de omvang en optredende verspreiding in kaart is gebracht voor het gehele geval, dan wel een substantieel deel ervan, moet worden bepaald of er sprake is van “spoedeisendheid”. Als hiervan sprake is, moet er zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen vier jaar, worden gestart met saneren. Een andere mogelijkheid is het nemen van tijdelijke maatregelen om de risico’s op basis waarvan de spoedeisendheid wordt bepaald weg te nemen.
Voor alle gevallen van ernstige bodemverontreiniging is de saneringsregeling in de Wet bodembescherming van toepassing en bestaat er een saneringsverplichting. Het is de bedoeling dat voor 2015 alle bodemsaneringsgevallen, die spoedeisend zijn vanwege humane risico’s, zijn gesaneerd of beheerst, en voor 2030 ook alle spoedgevallen vanwege ecologische risico’s. In 2009 is dit vastgelegd in een Convenant Bodemsanering, getekend door de Ministeries van VROM, V&W en namens alle bevoegde gezagen Wet bodembescherming door IPO, VNG en de Unie van Waterschappen.
Stap 1. Vaststellen ernstig geval van bodemverontreiniging
In het kader van de Wet bodembescherming wordt een verontreinigde locatie geclassificeerd als “een geval van ernstige bodemverontreiniging” als:
-
er sprake is van overschrijding van de interventiewaarde voor één of meerdere stoffen in de grond of het grondwater, én;
-
het volume grond, waarin de interventiewaarde wordt overschreden, tenminste 25 m3 bedraagt, en/of;
-
het met grondwater gevulde volume bodem, waarin de interventiewaarde grondwater wordt overschreden, tenminste 100 m3 bedraagt.
Tevens zijn in de eerder genoemde Circulaire interventiewaarden bodemsanering (I-waarden) opgenomen voor grond en grondwater. De interventiewaarden voor grond zijn gebaseerd op een integratie van de humane en ecotoxicologische effecten. De meest kritische effecten geven hierbij de doorslag.
Voor bijna alle zware metalen, met uitzondering van antimoon, lood en seleen, wordt de interventiewaarde voor grond bepaald door het ecologische ernstig risiconiveau. Dit is ook het geval voor andere in de bodem weinig mobiele stoffen, zoals PAK, en veel voorkomende pesticiden als drins, DDT en lindaan. Deze stoffen komen veel voor in de bodem als diffuse bodemverontreiniging. Voor mobiele stoffen als vluchtige aromaten, gechloreerde oplosmiddelen en cyaniden is eventueel het humane ernstig risiconiveau maatgevend. Deze stoffen komen veelal voor als puntbronverontreiniging.
Stap 2. Vaststellen spoedeisendheid
In stap 2 van de risicobeoordeling wordt vastgesteld of sprake is van een geval van ernstige én spoedeisende bodemverontreiniging. Hiervoor is het model Sanscrit ontwikkeld.
Er is sprake van “spoed” als, in relatie tot het bestaande of beoogde bodemgebruik één of meerdere van de ernstige risiconiveaus wordt overschreden:
-
voor de mens (de terreingebruikers): risico’s treden op door direct contact met verontreinigde grond, via de inname van op deze grond geproduceerd verontreinigd voedsel of door inademing van in leefruimten vrijgekomen verontreinigde bodemlucht;
-
voor het ecosysteem: ten gevolge van de verontreiniging functioneert het bodemecosysteem in te beperkte mate, en/of er treedt doorvergiftiging op in de voedselketen, en/of de biodiversiteit wordt in ernstige mate aangetast;
-
op verspreiding: er zijn risico’s door verspreiding van verontreinigende stoffen als puur product of opgelost in stromend grondwater. Mogelijk vindt hierdoor onaanvaardbare verontreiniging van naburig oppervlaktewater en/of de waterbodem plaats.
De toetsing op ecologische risico’s is gebaseerd op het onbedekte bodemoppervlak en de “toxische druk”. De toxische druk is een indexwaarde tussen 0 en 1 en is het resultaat van een gewogen optelling van het quotiënt van de gemeten gehalten van stoffen en de ecologisch ernstige risiconiveaus. In de Circulaire zijn deze criteria vastgelegd in de nevenstaande toetsingstabel.
Stap 3. Vaststellen locatiespecifieke ecologische risico’s
In stap 2 worden de ecologische risico’s van bodemverontreiniging meestal overschat. In een derde beoordelingsstap kan meer nauwkeurig en gebiedspecifiek worden bepaald of er inderdaad onaanvaardbare risico’s zijn voor het (bodem)ecosysteem. Hiervoor wordt de Triade benadering voorgesteld.
Toetsen aan ecologische normen in het kader van de Regeling bodemkwaliteit
In de Regeling bodemkwaliteit zijn normwaarden opgenomen, bedoeld voor regulatie van het hergebruik van licht verontreinigde grond. Het gaat om “achtergrondwaarden” en “maximale waarden”. Deze waarden zijn gebaseerd op het risiconiveau, waarbij de bodem duurzaam voor een bepaald bodemgebruik veilig kan worden benut.
De achtergrondwaarden zijn gebaseerd op een onderzoek van de gehalten in alle Nederlandse bodemtypen, op die plaatsen waar hoogstens sprake is van een marginale bodembelasting als gevolg van gebruik door de mens. Als grond aan de achtergrondwaarden voldoet, wordt deze als schoon beoordeeld en is deze geschikt voor alle soorten bodemgebruik. Ze fungeren als de hergebruiksnormen voor grond in natuur- en landbouwgebieden. Hier mag alleen schone grond worden toegepast.
De maximale waarden zijn gebaseerd op de laagste van het ecologisch en humane duurzaam risiconiveau. Hierbij is uitgegaan van standaard blootstellingscenario’s voor wonen, inclusief recreatief gebruik, en industrie, inclusief groenzones langs infrastructuur (wegen, spoorlijnen, watergangen, leidingstraten). Voor zware metalen, PAK en pesticiden zijn de maximale waarden gebaseerd op het ecologische risiconiveau.
De maximale waarden voor wonen liggen tussen de achtergrondwaarden en de interventiewaarden bodemsanering voor grond. De maximale waarden voor industrie zijn over het algemeen gelijk aan de interventiewaarde voor grond voor alle zware metalen, PAK en pesticiden. De uitzonderingen zijn cadmium en kwik, waarvoor de maximale waarde voor industrie aanzienlijk lager is. Voor de meeste andere (veelal) mobiele stoffen, zijn de maximale waarden voor industrie gelijk aan de oude Samenstellingswaarde 2 uit het Bouwstoffenbesluit, dat in 2008 is vervangen door het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. Deze waarden zijn zo gekozen dat geen onaanvaardbare belasting van het grondwater met verontreinigende stoffen uit hergebruiksgrond kan optreden.